Aan- en afhechten: begin je met een stiksel dan hecht je eerst aan door de 1e cm over elkaar  weer achter- en vooruit te stikken. Hierdoor laat de draad niet meer los. Dit doe je ook aan het einde van het stiksel, dan heet het afhechten.

Afwerken: de randjes van de stof werk je af door er met een zig-zagsteek over te gaan. Hierdoor gaat het niet rafelen. Dit hoeft niet persé bij tricotstof.

Beleg: het deel dat je gebruikt om randen af te werken, bijvoorbeeld een ronde halslijn. Het heeft dezelfde vorm als de af te werken rand en wordt na het stikken naar binnen gevouwen. Voorbeeldfoto...

Bovendraad en onderdraad: de bovendraad komt van je garenklosje door de naald, de onderdraad komt van het spoeltje door de plaat. Tijdens het naaien maken deze twee draden steeds kleine lusjes tussen de twee stoflaagjes, dit is een steek.

Goede kant van de stof: is de kant van de stof die het mooiste is, de kant die je bij kleding aan de buitenkant ziet. Of in elk geval de kant van de stof die je aan de buitenkant van je werkstuk wilt zien.

Naden: het stiksel waarmee je twee delen stof aan elkaar naait. De naadbreedte is de extra aangeknipte stof buiten de patroonlijn, zodat twee delen aan elkaar gestikt kunnen worden.

Patroon: een voorbeeld op papier van datgene wat je wilt maken. Je trekt dit vaak over op patroonpapier, zodat je weet hoe groot je stof moet worden. Sommige mensen vinden het handig om alvast de naadbreedte en zoom hier bijaan te tekenen, zodat ze dit niet vergeten bij het knippen van de stof.

Bovenspanning: de spanning van de bovendraad van je machine kun je regelen d.m.v. de spanningsknop (zie boekje van je naaimachine). Dit kan soms nodig zijn bij dikker garen of dunnere stoffen, zodat de lusjes van je stiksel in de stof vallen. Bij een dikkere draad moet de spanning vaak wat hoger ingesteld worden. Verander altijd alleen je bovenspanning en nooit je onderspanning.

Spoeltje/spoelhuis: hier zit je onderdraad in opgespoeld. Het spoeltje kun je in en uit het spoelhuis halen. Sommige machines hebben een vast spoelhuis.

Steeklengte: Hoe lang de afstand is tussen waar de naald in de stof steekt. Bij rekbare stoffen kun je de steeklengte het beste iets vergroten.

Stofvouw: Stof koop je meestal dubbelgevouwen. De vouwrand heet de stofvouw. Soms moet je een patroondeel aan de stofvouw leggen. De stofbreedte is de breedte van de stof als deze niet dubbelgevouwen maar open ligt. De meest voorkomende stofbreedtes zijn 1.40 en 1.50 meter.

Verkeerde kant van de stof: is de kant van de stof die minder mooi is. De kant die bij kleding aan de binnenkant zit of die je bij jouw werkstuk aan de binnenkant wilt zien.

Vliegwiel: het ronde wiel aan de zijkant van je machine. Draai je eraan dan komt de naald in beweging. Draai dit wiel altijd (met de bovenkant) naar je toe. Anders loopt het mechaniek van de machine soms vast.

Vlieseline: je strijkt vlieseline op de verkeerde kant van je stof om het op die plek te verstevigen, bijvoorbeeld bij een kraag of klepje van een zak. Knip de vlieseline altijd zo groot als het patroondeel, dus zonder naadbreedte.

Voetje: het deel van de naaimachine waar de stof onderdoor loopt. Door de druk van dit voetje op de stof en de ondertransporteur (de tandjes onder het voetje), verplaatst de stof zich. Door de voethevel (aan de acherkant van je machine) omhoog of omlaag te zetten, zet je het voetje omhoog of omlaag op de stof.

Zoom: de onderrand, bijvoorbeeld de onderrand van een jasje. De zoom knip je aan en is breder dan een naad. Vaak 2,5 tot 3 centimeter. Kijk maar eens naar de onderrand van je broek of blouse.